Vuurtoren

Over de vuurtoren

 

De geschiedenis van het ontstaan van de vuurtoren bij Nieuwe Sluis

Op 26 december 1865 gaf de Belgisch-Nederlandse Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart de opdracht een vuurtoren op te richten in de nabijheid van Breskens, op de zeedijk bij de Nieuwe Sluis. Aldus geschiedde en op 19 januari 1868 werd voor het eerst het licht op die vuurtoren ontstoken.

De voorgeschiedenis:
De sixties van de 19de eeuw.
De Scheldehavens kenden in de zestiger jaren van de 19de eeuw een bijzonder grote economische en maritieme opbloei. In deze negentiende eeuw had België zich weten te ontwikkelen tot de 5de economische wereldmacht. De Haven van Antwerpen stond na New York als tweede grootste wereldhaven geboekt. Ook Nederland – helaas in mindere mate Zeeland – kende een periode van steeds groeiende maritieme activiteit. Alhoewel de zeilvaart zeker nog volop aanwezig was, begon de stoomvaart deze meer en meer te overvleugelen. Moderne schepen werden uitgerust met een schroef en een betrouwbare stoommachine. Het regime van de “grote vaart” werd regelmatiger en minder risicovol. Vaste lijnverbindingen vanuit Antwerpen naar de Verenigde Staten, Canada, Argentinië, Oost-Azië, West- en Zuid-Afrika en zelfs Australië werden gevestigd, maar ook de stoomvaart op Europa werd van jaar tot jaar intensiever. Vooral de nieuwe koloniale handel en de steeds grotere vraag naar grondstoffen voor de industrie maakten een gesmeerd lopend scheepvaartverkeer noodzakelijk. Zowel de staten als de handelaren en ook grote industriëlen zetten zich overal in om deze handelsvaart nog optimaler te laten verlopen.

Een paar sprekende voorbeelden:

  • Het kanaal van Gent naar Terneuzen, geopend in 1827, werd tussen 1865 en 1870 verdiept (tot 65dm) en verbreed (tot 65m), althans op het Belgisch gedeelte. In Nederland sleepten de werken voort tot in 1885.
  • Het Suezkanaal werd gegraven en effectief in gebruik genomen in 1869.
  • In alle havens aan de Westerschelde werden de toegang tot de dokken en de aanlegplaatsen verbeterd – ook in Hansweert, waar het welhaast voltooide kanaal door Zuid-Beveland aanpassingen nodig maakte.
  • In 1860 was de Scheldetol, die België nog steeds moest ophoesten, afgekocht waardoor de “oneerlijke” concurrentie opgeheven werd (en “extra” geld vrijkwam).

Dé beslissing.

De rivier zowel des nachts als overdag te bevaren.”

Bovenbeschreven omstandigheden deden ook de behoefte gevoelen aan nieuwe maatregelen ter beveiliging van de scheepvaart op de Schelde en haar mondingen.

Op de vergadering van 30 januari 1865 deden de Belgische commissarissen dan ook hun Nederlandse collegae de mededeling dat zij door hun regering waren gelast om “met hen tot overeenstemming te komen over de uitvoering van een door hen ingediend ontwerp, dat moest strekken om over de gehele uitgestrektheid der Schelde een stelsel van verlichting aan te brengen, waardoor de zeeschepen in staat zouden worden gesteld de rivier zowel des nachts als overdag te bevaren”.

Dit Belgisch voorstel omvatte veel: lichtschepen, vuurtorens, bakens en boeien.

De onderhandelingen tussen de wederzijdse commissarissen hebben het gehele jaar 1865 voortgeduurd en hebben op 26 december van dat jaar geleid tot volledige overeenstemming.

In zeer grote lijnen samengevat:

1/ elk der beide landen droeg zorg voor het vervaardigen van de lichtopstanden op het eigen grondgebied.
2/ alle kosten door Nederland te maken voor de op zijn grondgebied op te richten lichtopstanden (dus ook onze vuurtoren) waren voor rekening van België met uitzondering van enige lichten, die enkel Nederland in grote mate ten goede kwamen.
3/ de lichtschepen kwamen uitsluitend voor rekening van België.

De uitgevoerde werken betroffen onder andere ook onze vuurtoren. Deze vuurtoren moest vooral de Wielingen bebakenen. Samen met een ander vuurtorentje, het zogenaamde Lage Licht van Nieuwe Sluis, vormde hij een wit geleidelicht (0840). Dit Lage Licht staat nu monumentaal op het Spuiplein te Breskens.

Al deze werken werden deels uitgevoerd door openbare inschrijving, deels door directe overeenkomsten met locale ondernemers – er moesten ook woningen gebouwd worden voor de lichtwachters. De opdracht en de eindverantwoordelijkheid tot het ontwerpen, vervaardigen, oprichten en ontsteken van de vuurtoren van Breskens werd gegeven aan Quirinus Harder.

Quirinus Harder
Quirinus Harder werd op 13 oktober 1801 in Rotterdam geboren als zoon van Johan Frederik Harder, hofmeester bij de marine en Helena Elisabeth van Loon. Het gezin van Johan Frederik verhuisde in 1824 naar Vlissingen. Daar werkte Quirinus ook bij de marine, eerst als klerk en ten slotte als bouw- en tekenmeester.

In 1830 trouwde hij Sara Johanna van de Sande en samen kregen ze zes kinderen. Drie van deze kinderen waren reeds in 1845 overleden.

In 1854 werd Harder benoemd tot bouwkundige bij de Dienst van het Loodswezen met een jaarloon van 1600 gulden. De helft daarvan betaalde het Rijk, de rest kwam voor rekening van het Loodswezen. Zijn jaarloon werd uiteindelijk (1875) 2400 gulden.

Quirinus, zijn vrouw en drie kinderen verhuisden in februari 1854 naar `s-Gravenhage.

Vier jaar na zijn benoeming kreeg hij een tevredenheidsbetuiging van de Minister van Marine voor het “daarstellen van den ijzeren lichttorens en andere werken voor de verlichting”.

Bij de ontwikkeling van zijn vuurtorens kon Harder zich richten naar Groot-Britannië, waar men in die tijd begonnen was met het vervaardigen van gietstalen vuurtorens, maar waar ook meer en meer aandacht werd besteed aan het perfectioneren van de optische eigenschappen van de lichtbundel. Overigens, ook de Franse en Belgische wetenschappers en technici waren niet te onderschatten in deze gang naar “optische perfectie”.

Reeds in 1840 had de Engelse ingenieur A. Gordon de eerste gietijzeren vuurtoren ontworpen. Harder en diens naaste medewerker, de bouwkundige A. Van Loo, namen de bouwwijze van de Engelsen over. Ook hadden zij contacten met o.a. de firma Chance Brothers in Birmingham, gespecialiseerd in de lichtapparatuur.

Harder bezocht veelvuldig Engeland, waar hij de ijzeren vuurtorens bestudeerde, met name hun bouwwijze en constructie.

Harder ontwierp veel gietstalen vuurtorens: 7 van de 11 gietijzeren vuurtorens aan de Nederlandse kust, en 8 van de 20 aan de voormalige Nederlands Oost-Indische kust.

De eerste kwam bij Renesse te staan in 1856. Deze werd in 1915 afgebroken, net als deze van Goeree (Ouddorp) in 1911. Dit maakt, dat de vuurtoren van Breskens nu de oudste nog bestaande gietijzeren vuurtoren van de Nederlandse (en de Vlaamse) kust is!

Quirinus Harder stierf in oktober 1880. Al zijn kunstwerken hebben hem ruimschoots overleefd. En mits gedegen onderhoud blijven ze nog een paar eeuwen overeind.

De bouw van de vuurtoren.

Gietijzer
In de tweede helft van de 19de eeuw werd gietijzer meer en meer toegepast bij grote constructies: machines, bruggen, viaducten en ook vuurtorens.

Een gietijzeren constructie had zo zijn voordelen:

  • De bouwtijd was aanmerkelijk korter. (1 jaar tegenover 3 jaar voor een stenen vuurtoren).
  • De kosten waren aanzienlijk minder. (1/3 van de prijs van een stenen constructie).
  • Het totale gewicht was merkelijk minder. Dit was voor onze streken een niet onbelangrijk gegeven. Men heeft hier geen rotsharde bodem. Het mindere gewicht maakte een lichtere fundering mogelijk.
  • Gietijzer bleek al vlug beter bestand tegen de gure zoute zeewind en het schurende zand.
  • Een gietijzeren constructie kon uit elkaar geschroefd worden en ergens anders weer opgebouwd worden. Dit is o.a. gebeurd met de lage vuurtoren van IJmuiden, die deels verplaatst is naar Vlieland. Maar ook met een vuurtoren in voormalig Belgisch Congo.
  • Ze konden verscheept worden naar de afgelegen delen van het Koninkrijk.

De gietijzeren constructie:
De opdracht om de gietijzeren onderdelen te gieten werd gegeven aan de firma Enthoven & Co. in Den Haag (na openbare inschrijving). Deze firma had zich een goede naam gemaakt als gieterij van gietstalen constructies en voldeed aan de hoge eisen, die Harder stelde. Overigens was de concurrentie tussen de verschillende gieterijen moordend: per vuurtoren had men zeven tot acht maanden werk en de vervolgopdrachten waren niet onbelangrijk.

De toren werd samengesteld uit gietijzeren platen, voorzien van opstaande randen, die met honderden bouten en moeren aan elkaar werden geschroefd. De platen zijn onderling verbonden in een zgn. halfsteensverband.

Alle platen moesten perfect op elkaar aansluiten.

Voor elke plaat werd een houten mal gemaakt die afgedrukt werd in vormzand, een mengel van zand en klei, dat zich in een vormkast bevond. In die vorm werd het ijzer gegoten.

De naden tussen de platen werden opgevuld met een mengsel van kalkmortel en ijzervijlsel, het zgn. ijzercement.

Naar schatting werd 3000 kg ijzercement gebruikt voor de vuurtoren van Breskens.

Ook de steunpilaren, trappen, ramen, deuren, hekken en vloeren werden apart gegoten. Dit zijn soms kunstwerkjes.

De “lantaarnkoepel”
Voor de lantaarnkoepel en de ondersteuning van de optiek gebruikte men geen gietijzer maar brons of messing. Deze materialen waren beter bestand tegen de wisselende invloed van enerzijds de koude en zoute buitenomgeving en anderzijds de hitte van de lampen.

Uiterlijke vorm.
De vuurtoren van Breskens heeft een acht-zijdige conische vorm. Alle door Harder ontworpen vuurtorens zijn verschillend van vorm, afmetingen en interieur. Het is duidelijk, dat Harder bijzonder veel aandacht besteedde aan het uiteindelijk monumentaal aanzien. Hij voorzag zijn vuurtorens van kunstzinnige elementen. Zie b.v. de toegangsdeur, de vensters, maar ook het smeedwerk van de omgang van onze vuurtoren in neogotische stijl. Overigens zijn de vensters bij onze vuurtoren vervangen door patrijspoorten. Dit om de te grote corrosie tegen te gaan.

Verdere geschiedenis en constructiebeschrijving.
We zijn bezig de geschiedenis van de vuurtoren thematisch samen te stellen en uit te diepen. Te denken valt aan: verschillende soorten van gebruikte vuren of lampen; optiek; veranderingen in de lichtkarakteristiek en –kleur, sectorlichten; functie van de vuurtoren; de vuurtorenwachters, hun functie, hun werkzaamheden; de meteorologische observatie; de kustwachtaken; de geschiedenis rond de 1ste en de 2de wereldoorlog. Enzovoort, enzovoort.

Op dit ogenblik zijn onze verzamelde gegevens ongeordend, te fragmentarisch en zeker onvolledig. Zodra er een onderwerp voldoende is “afgerond”, zullen we niet nalaten dit te publiceren.

Alle informatie over en omtrent de vuurtoren van Breskens en zijn wachters is dan ook bijzonder welkom.

Breskens, 23 oktober 2012.

Marc Esmé De Cocker, vrz. Stichting Vuurtoren Breskens